Gemeenteraadsverkiezingen

Een citaat uit 2002 :

“…. Een regering mogen we niet kiezen, een premier, een burgemeester, een commissaris van de Koningin ook al niet. Een vice-voorzitter van de Raad van State ook niet, een bestuur en voorzitter van de Algemene Rekenkamer ook niet, de ombudsman ook niet, al die besturen en voorzitters van de vele (bestuurs)schappen die ons land rijk is ook al niet et cetera. Eens in de vier jaar mag het stemvee, wij dus, opdraven om ons een gemeenteraad, provinciale Staten of een Tweede Kamer te kiezen en daarna bepaalt de politiek-bestuurlijke elite van ons land wel hoe en in welke samenstelling wij worden geregeerd. De Eerste Kamer wordt uiteraard niet door het plebs gekozen, daar is dit college veel te deftig voor, maar komt via getrapte verkiezingen tot stand. Vier jaar lang hebben wij slechts lege briefjes in te brengen en daarna is het een dag feest het feest der democratie en dan weer vier jaar lang je kop dicht houden. En als het je niet aanstaat dan ga je maar emigreren, het is tenslotte hun land en niet het onze.

De politieke partij heeft afgedaan als instituut voor democratische besluitvorming en meningsvorming. De partij-elite bepaalt zelf wel wat goed is,wat het politiek programma wordt,  hoe de kandidatenlijst voor de vertegenwoordigende organen wordt samengesteld en wat de volgorde daarvan is, wie de partijleider annex lijsttrekker wordt, wie minister, wethouder of gedeputeerde wordt, wier er burgemeester, commissaris van de koningin, topambtenaar, Kroonlid van de SER, lid wordt van een hoog college van staat, et cetera. Het is ronduit beschamend en heeft niets, maar dan ook niets met democratie te maken……… Het is een volstrekt incestueus circus geworden van zichzelf benoemende en aanvullende politiek-bestuurlijke elite.”

En zo besprak, kort voor zijn dood,  Pim Fortuyn in zijn boek “De puinhopen van acht jaar Paars” de stand van democratie in Nederland aan de vooravond van de landelijke verkiezingen in 2002.  Twaalf jaren later is de stand van zaken niet veranderd. Nog steeds regeert een incestueuze kliek het land, nog steeds valt er weinig direct te kiezen.  Wie nu zijn boek leest ziet dat de problemen die hij signaleerde (in de jaren negentig van de vorige eeuw) nog steeds voortbestaan. Zelfs de mensen zijn niet veranderd – nog steeds zitten wij opgescheept met mensen als “burgemeester Dikkerdak Rotterdam” (Ivo Opstelten, nu minister onder draaikont Mark Rutte), Willem Vermeend (elke week in de Telegraaf met fantastische nieuwe inzichten) en zelfs de de verschrikkelijke Ad Melkert, indertijd door Fortuyn met pek en veren het land uitgejaagd, welke heeft aangekondigd weer politiek aktief te gaan worden.

Ik verwacht dan ook niet dat de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 een verandering zullen brengen. De impasse waarin Nederland zich bevindt, het langzame afglijden waarin een grote passieve massa mensen zich laat pamperen met toeslagen, subsidies en gratis gezondheidszorg die moet worden opgebracht door een steeds kleinere groep werkenden die steeds meer belastingen betalen, wordt niet opgelost door de farce van een gemeenteraadsverkiezing waarin we niet eens de wethouders en burgemeester mogen kiezen, laat staan de ambtenaren die achter de schermen het daadwerkelijke bestuur van een gemeente vormen.

Er lijkt echter wel hoop te gloren aan de horizon. Het “stemvee” (zoals Fortuyn het niet onterecht noemde) weigert steeds meer om mee te doen aan het regentensprookje. De meerderheid van de Nederland lijkt inmiddels door te hebben dat er echt niets te kiezen valt, en weigert om een stem uit brengen – de opkomst voor de gemeenteraads/provinciale/landelijke verkiezingen daalt al jaren gestaag tot een verhouding  van het totale kiesvolk die nauwelijks meer representatief te noemen is. Duidelijker kan het gevoel van ontevredenheid niet worden uitgebracht, en daarom blijft Fortuyn’s analyse nu nog steeds relevant.